Maatregel 9: Gemeenten en huisartsen zorgen samen voor tijdige hulp en normaliseren

Paul van der Velpen, 10 juli 2018

De woorden in het beleidsverhaal
Doel van het jeugdbeleid van elke gemeente is “tijdig de juiste hulp inzetten”. Dus vermijden van onderhandeling, maar ook vermijden van overbehandeling (dus normaliseren, hulp dichtbij).

Waarom het nog niet werkt
Dat het nog niet werkt blijkt uit de cijfers. In de geboortezorg kan nog het e.e.a. verbeterd worden, op de obesitas-epidemie onder kinderen en jongeren hebben we nog geen passend antwoorden er is een stijging van het aantal jeugdigen in de gespecialiseerde jeugdhulp. Eén van de basisproblemen is de grote scheiding tussen het medische circuit (van huisarts tot ziekenhuis) gefinancierd door de zorgverzekeraars, en het sociale domein (van jeugdgezondheidszorg tot schuldsanering) gefinancierd door de gemeenten. Omdat de huisarts een belangrijke positie inneemt aan de voorkant van het medisch circuit en vaak de eerste is waarbij burgers aankloppen, lijkt me de verbinding tussen huisartsenzorg en gemeentelijk circuit in elk geval belangrijk.

Wat dan wel ?
Hieronder drie praktijkvoorbeelden.

1. Huisartsenpraktijken en poh-GGZ jeugd

Gemeenten zijn sinds 1 januari 2015 verantwoordelijk voor een groot deel van de zorg voor jeugd , en huisartsen hebben wettelijk (evenals jeugdartsen en medisch specialisten) de bevoegdheid behouden om kinderen te verwijzen naar specialistische zorg (vaak gefinancierd door de gemeente). Voor burgers betekent een verwijzing een extra stap en er is vaak sprake van informatieverlies. In veel gemeenten (o.a. provincie Friesland, regio Kennemerland, de Achterhoek, Assen) is aan huisartsenpraktijken voor 4-8 uur per week een POH GGZ jeugd toegevoegd. Ze hebben de tijd en de deskundigheid om zelf bepaalde korte behandelingen uit te voeren en zijn in staat om te beoordelen of/welke verwijzing nodig is. Soms zijn ze gedetacheerd vanuit de GGZ/gespecialiseerde jeugdzorg, soms vanuit het Centrum jeugd en Gezin. De financiering komt van gemeenten en/of zorgverzekeraars en heeft drie opbrengsten: begeleiding kan sneller worden geboden, is minder stigmatiserend, leidt tot minder doorverwijzingen en wordt door cliënten positief beoordeeld. Onderzoek moet nog wel uitwijzen of het even effectief is.
De gemeente Utrecht heeft met huisartsen, buurtteams en jeugdgezondheidszorg geïnvesteerd in een proeftuin om de basiszorg voor jeugdigen met psychische klachten verder te verbeteren. Eerst is er een gezamenlijke visie gemaakt. Vervolgens is de basiszorg voor jeugdigen met psychische klachten in de proeftuin onderzocht en verbeterd door deze te toetsen aan de gezamenlijke visie.

Volgens de betrokkenen heeft de proeftuin het volgende opgeleverd:

  • De partijen in de drie wijken hebben elkaar beter leren kennen, begrijpen en waarderen.
  • Huisartsen, POH’s-GGZ (Jeugd), jeugdartsen en gezinswerkers zitten nog niet altijd op één lijn, maar de bespreking van casuïstiek heeft veel zinvolle aanbevelingen opgeleverd.
  • Het optrekken als “team basiszorg” vanuit een gezamenlijke visie, met gezamenlijke intervisie helpt om de hulp te verbeteren en elkaar op wijkniveau goed en snel te vinden.

2. Centrale zorgverlener voor morbide obese kinderen

In Amsterdam zijn, bij wijze van pilot, na afstemming met alle hulp- en zorgverleners afspraken gemaakt tussen de zorgverzekeraar (financier) en de gemeente (uitvoerder) over de dienstverlening aan gezinnen met een morbide obees kind. Deze gezinnen kunnen een beroep doen op een centrale zorgverlener die hen helpt het lastige traject af te leggen. De centrale zorgverlener coördineert de ondersteuning en zorg voor zowel het gezin als de betrokken professionals en helpt het gezin om problemen zelf aan te pakken. Deze taak wordt uitgevoerd door de jeugdverpleegkundige. Het maakt voor een gezin dus niet uit of ze met dit vraagstuk bij de huisarts, kinderarts , wijkteam of de jeugdgezondheidszorg aankloppen. De aanpak is hetzelfde. Het project is onderdeel van de integrale aanpak van de Amsterdamse Aanpak Gezond Gewicht. Eind 2018 wordt de pilot geëvalueerd.

3. Gezamenlijk spreekuur, samen digitaal dossier

Voor de nazorg couveuse kinderen en zieke pasgeborenen hebben de afdeling Kindergeneeskunde van Onze Lieve Vrouwen Gasthuis (gefinancierd door de zorgverzekeraar) en de Jeugdgezondheidszorg van GGD Amsterdam (gefinancierd door de gemeente) een gezamenlijk spreekuur gestart. Binnen de pilot wordt ook onderzocht of de webapplicatie Online Zorgplan geschikt is om binnen een team van verschillende zorgverleners (o.a. huisartsen) veilig en efficiënt medische informatie uit te wisselen. Op termijn krijgen ook opvoeders toegang tot het dossier van hun kind.

Wat kunnen we leren?
De praktijkvoorbeelden zijn heel verschillend, toch zijn er mijns inziens meerdere lessen uit te trekken als het gaat om de verbinding tussen huisarts en het gemeentelijke domein.

1. Neem de burger als vertrekpunt. Als mensen voor een bepaald vraagstuk bij de huisarts aankloppen, is het niet handig die deur te blokkeren . Volg de klantroute. Hoe zorgen we er in de klantroute zo min mogelijk overdrachtsmomenten zijn? Door hulpverleners die ze tegen komen aan de voorkant tijd te geven om voldoende hulp te bieden (zodat er niet wordt doorverwezen vanwege tijdgebrek) en hulpverleners tijd te geven om samen te werken. Niet om veel te vergaderen, of dikke rapporten te maken, of te registreren, maar om elkaar te leren kennen en vertrouwen.

2. Ontwikkel een gezamenlijke visie. Dat hoeft niet veel tijd te kosten, maar is wel nodig. Gemeenten, jeugdartsen, huisartsen, GZ-psychologen en jeugdhulpverleners hebben beelden van elkaar. Er zijn klachten over elkaars deskundigheid. En uit onderzoek blijkt dat zelfs hulpverleners die zes jaar dezelfde opleiding volgen voordat ze zich specialiseren (huisartsen en jeugdartsen) elkaar niet weten te vinden. Goed om te letten op het beeld dat er bij de gemeenten, jeugdteams en sociale wijkteams bestaat van huisartsen. Als dat beeld is: “huisartsen kijken uitsluitend door een somatisch-medische bril en willen zoveel mogelijk kinderen en ouders verwijzen naar de GGZ-jeugd” dan is de eerste actie: stel dat beeld bij. De meeste huisartsen zijn praktisch ingestelde, nuchtere en breed kijkende professionals. Ze staan dicht bij de mensen en een belangrijk deel van hun dagelijks werk bestaat uit het uitsluiten van ernstige ziekten en het geruststellen van mensen. Ze weten dat specialistische hulp essentieel is, maar niet in alle gevallen. Het punt is dat ze geen tijd hebben voor diepgravende gesprekken over opvoeden en opgroeien, hetgeen ook niet hun kerncompetentie is.

3. Samenwerken is geen doel op zich, creëer praktische voorzieningen: een gezamenlijk spreekuur, gezamenlijke casuïstiek bespreking, werken in hetzelfde dossier, een hulpverlener voor 4-8 uur per week detacheren bij de huisartsenpraktijk, een hulpverlener die de regietaak krijgt.

4. Investeer. Te vaak wordt gedacht: ga samenwerken, dat scheelt tijd. Niets is minder waar: samenwerken kost tijd. Maar die tijd kan verderop in de klantroute misschien worden terugverdiend: minder gespecialiseerde zorg, of betere kwaliteit/meer effect, of grotere klanttevredenheid. Daarom zijn er afspraken tussen de financiers nodig om te zorgen dat financieringsstromen aansluiten op die klantroute. Het kan zijn dat als de gemeente aan de voorkant van de klantroute investeert, de zorgverzekeraar aan het eind kan bezuinigen. Of omgekeerd. Investeer niet eenmalig in samenwerking, maar structureel.

Een sluitende klantroute : goed voor de burger, de hulpverleners en de financiers.

Categorie:

3 reacties

  • Ans Hermans says:

    Ik onderschrijf bovenstaande helemaal. Heb zelf ooit aan de wieg gestaan van een samenwerkingsconvenant tussen huisartsen, POH GGZ en JGZ ihk van het sociale domein.
    Noodzakelijke voorwaarde is een gezamenlijke visie. De regie hiervoor moet door gemeenten genomen worden. De verbinding met de basisteams en het specialistisch veld is hierbij belangrijk.
    Verder blijft een punt dat de meest kwetsbare gezinnen de weg naar de huisarts niet vinden/kiezen en dat ze ook door de JGZ niet altijd opgemerkt worden. Nog uitdagingen om opgepakt te worden.

  • Sheila vd Boogaard says:

    Ik vind het een goed idee nu de verantwoordelijkheid bij gemeentes ligt is er meer bureaucratie bij gekomen de hulp duurt lang en er wordt niet samengewerkt en huisarts heeft nu niets in te brengen of een kinderarts gemeente bepalen of een kind hulp mag en wat voor hulp dat bepaald wordt door dossier gegevens.

    Een dossier verandert niet maar een kind en gezin wel en daar wordt te weinig naar gekeken dat een dossier de waarheid bevat volgens gemeente en hulpverleners

  • Geert van Hoof says:

    Mooie leerzame voorbeelden. Ik ben erg benieuwd naar de ideeën over structurele borging na de pilotfase. Met name over de fnanciering over de domeinen. Deze pilots worden vaak tijdelijk vanuit innovatiegelden gesubsidieerd, maar uiteindelijk blijkt de structurele financiering de botleneck.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *