Maatregel 5: Stop met ‘drang’

Adri van Montfoort, 12 juni 2018

De woorden van het beleid
In de doelen van de Jeugdwet komen drang en dwang niet voor. Maar zodra het woord veiligheid valt, komt er een ander beleid tevoorschijn. Ook in dat beleid komen bepaalde woorden zo vaak terug, dat ze gaan werken als een mantra: ‘Achter de voordeur’, ‘vrijwillig maar niet vrijblijvend’, ‘drang en dwang’, ‘laatste kans-beleid’, ‘opschalen’, ‘doorpakken’, ‘doorzettingsmacht’, ‘kinderen op de radar’, ‘zicht op veiligheid’. Deze woorden worden soms gekoppeld aan zinnetjes zoals: ‘veiligheid gaat boven regels’ en ‘wij verschuilen ons niet achter de wet’.

De effecten van deze woorden
Al deze woorden en zinnen zijn vaag en dreigend. Het is niet duidelijk wat er precies kan gebeuren en op welke wettelijke bevoegdheden zoiets als ‘drang’ is gebaseerd. Uit het geheel spreekt minachting voor de wet, alsof de wet niet meer is dan een grote berg overbodige ‘regeltjes’. Het wordt voorgesteld alsof de wet het beschermen van kinderen belemmert en alsof iedereen die wel kinderen wil beschermen boven de wet staat.
Wie deze taal gebruikt, neemt een paternalistische houding aan ten opzichte van de inwoners. De beroepskracht weet wat goed is voor de inwoner en stelt zich boven de inwoner op, zonder duidelijkheid te verschaffen over de eigen bevoegdheden of over de rechten van de inwoner. Deze houding staat lijnrecht tegenover normaliseren, eigen kracht en meer verantwoordelijkheid voor de inwoner. Het effect is dan ook méér kinderen onder toezicht van de overheid en professionals, waardoor de doelen van de transformatie verder uit beeld raken.

Wat dan wel?
Iedereen moet zich aan de wet houden en zeker de gemeente, andere overheden en instellingen die geld van de overheid krijgen. ‘Veiligheid gaat boven regels’ is een valse tegenstelling. Probeer maar eens je het verkeer voor te stellen zonder regels. Of kijk naar landen waar feitelijk geen regels worden gehandhaafd. De rechtsstaat is soms hinderlijk, maar het is de basis van de Nederlandse samenleving en het uithollen van de rechtsstaat maakt vroeger of later meer slachtoffers.
De kern van de transformatie is, dat de overheid en de beroepskrachten de inwoners serieus nemen en ervan uitgaan, dat inwoners al lang zelf de regie over hun eigen leven hebben. De overheid en alle instanties past bescheidenheid en daarbij past taal die verbindend, respectvol en dienstverlenend is.

Het uitgangspunt is vrijwillige hulp. De inwoner heeft de regie en ouders hebben de regie over de opvoeding van hun kinderen. De beroepskracht werkt op basis van de vraag van de inwoner en met toestemming. Als beide ouders het gezag hebben over een kind, dan is toestemming van beiden de basis waarop de beroepskracht werkt, ook als de ouders gescheiden zijn. Dat is een wettelijke eis, maar het is evenzeer een kwestie van respectvol handelen naar alle betrokkenen.

Beroepskrachten kunnen actief gezinnen benaderen wanneer zij hulp willen aanbieden. Zoals het Leger des Heils in de winter op zoek gaat naar mensen die buiten slapen om hen een plek in de nachtopvang aan te bieden. Als de betrokkene dat niet wil, dan bieden ze een deken en iets te eten en ze zeggen dat de betrokkene altijd welkom is.

Als vrijwillige hulp niet afdoende is om een ernstige bedreiging voor een kind af te wenden, dan biedt de wet de mogelijkheid van een melding bij Veilig Thuis of de Raad voor de Kinderbescherming, of voor het inschakelen van politie en justitie. Ook dat helpt niet altijd. Dat is soms moeilijk te accepteren, maar er is een grens aan de maakbaarheid van de samenleving. De betrokken beroepskracht kan soms niet meer doen dan alert blijven en open blijven staan voor verandering. Zoals de mensen van het Leger des Heils morgen weer met even veel respect komen vragen of meneer een plaats in de opvang wil voor de koude nacht.

Categorie:

2 reacties

  • Floor says:

    Gaat het hier niet om vraag en aanbod tussen hulpverleners en kinderrechters. De kinderrechters gaan mee in het agressieve verhaal van drang en dwang. Dat is waarom de hulpverlener het kan gebruiken tegen burgers en de hulpverlener weer dat het geen lose dreigementen zijn. Dat is wat werkt volgens de hulpverleners als zij hun zinnen op iets zetten, weten zij dat met drang en dwang de kinderrechter het oordeel van de hulpverlener op eet als een toetje na een licht diner. De burgers worden hierdoor beschadigd. Misschien moet er gekeken worden naar vraag en aanbod tussen kinderrechters en hulpverleners want volgens mij gaat daar iets mis waardoor ons jeugdbescherming systeem wankelt.

  • Marris van de Luytgaarden says:

    Helemaal mee eens! De “staat’ treedt op als een corrigerende ouder waardoor het gezin als een terechtgewezen kind gepositioneerd wordt. Zorg voor een kind in de context van een gezin moet vanuit het perspectief van het menselijk gevoel van solidariteit komen. Sommige gezinnen verdienen net wat nadrukkelijker steun of aandacht, ook als zij in eerste instantie afwijzend lijken of zelfs vijandigheid teweeg brengen. Maar dan is er de zgn. “brede generalist” met een eigen gekleurde visie die zonder juridisch kader “drang” hulp verleend. Het gevaar is juist de context en de subjectieve beleving daarvan. Die zijn van belang voor het bepalen van de morele rechtvaardiging. Er komen inmiddels meerdere varianten van “drang” . Ik zie ze toenemen en vraag me af weten we hoe vaak en welke drangvarianten er allemaal zijn? Wat zijn de effecten van drang. Drang is vaak niet nodig als er geen grond voor is . Wordt ze niet ingezet om de hulpverlening te ontlasten? Beleidsmakers en zelfverklaarde professionals weten immers niet wat werkt. Nog geen 5% van de methodieken in de jeugdhulp zijn evidence based . In onze bureaucratische organisaties (ooit uit solidariteit voortgekomen) worden consequenties van beslissingen niet meer gewogen, waardoor moreele inhoud wordt uitgehold…daar is de werkelijke compassie voor het onveilige kind mee heen gegaan?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *