Maatregel 10: Minder kinderen in een tehuis

Adri van Montfoort, 17 juli 2018

De woorden van het beleid
Eén van de doelen van de Jeugdwet is volgens de Memorie van Toelichting: ‘sneller jeugdhulp op maat, dicht bij huis, om zo het beroep op gespecialiseerde zorg te verminderen’. Dat betekent onder meer: minder kinderen in de gesloten jeugdhulp en in andere vormen van residentiële zorg. De woorden zijn eindeloos herhaald, als een mantra, en zijn door veel gemeenten en regio’s vertaald in het uitbreiden van ambulante hulp en in laagdrempelige hulp vanuit wijkteams. De hulp moet ook worden aangeboden bij lichte problemen, want daarmee zou kunnen worden voorkómen dat lichte problemen later uitgroeien tot zware problemen.

Waarom het (nog) niet werkt
Sinds de jaren 1970 is het vast beleid om te streven naar minder kinderen in tehuizen door het uitbreiden van ambulante jeugdhulp en pleegzorg. In beleidstaal heet dat ‘ombouw van residentieel naar ambulant’ of ‘ambulantisering’. De Wet op de Jeugdhulpverlening van 1989 kondigt een omslag aan van residentieel naar ambulant. Volgens artikel 23 van die wet was de voorwaarde voor jeugdhulp, dat de hulp ‘zo kort mogelijk, zo licht mogelijk en zo dicht mogelijk bij huis’ werd verleend. In de Wet op de Jeugdzorg die in 2005 werd ingevoerd stond hetzelfde en wederom werd een omslag aangekondigd.

Uit overzichten van het CBS blijkt, dat in de afgelopen decennia de ambulante hulp – ook in de GGZ-jeugd – enorm is uitgebreid. Maar het aantal jeugdigen dat in residentiële voorzieningen verblijft is niet afgenomen! Er zijn wel leefgroepen en hele tehuizen gesloten, maar kennelijk zijn daarvoor andere voorzieningen in de plaats gekomen. Bijvoorbeeld gesloten jeugdhulp en gespecialiseerde voorzieningen voor jeugdigen met LVB en meervoudige problemen. Volgens Kees Bakker is het aantal jeugdigen in tehuizen de afgelopen 40 jaar gelijk gebleven! (Niet Thuis, Mulock Houwer-lezing2017). Er was dus alles bij elkaar genomen geen ambulantisering (afbouw residentieel), maar uitbreiding (meer ambulant, residentieel blijft gelijk).

Het afkondigen van een omslag is dus niet voldoende. Was het maar zo gemakkelijk. Ook de verklaring, dat de aanbieders dit in stand houden voldoet niet. Uiteraard zijn er mechanismen waarmee instanties zichzelf in stand houden. Maar wie zet de kinderen bij de aanbieders op de stoep? Er zijn minstens twee lastige waarheden die we onder ogen moeten zien.

Ten eerste kunnen we ondanks alle vooruitgang in kennis, methoden en medicijnen de problemen van sommige jeugdigen en gezinnen nog niet verhelpen. De problemen zijn er en blijven er, ook als we achter elkaar alle behandelvormen die er bekend zijn toepassen. Onderzoek en investeringen om in de toekomst steeds betere resultaten te behalen blijven belangrijk, maar voorlopig is de werkelijkheid: veel van de ernstigste problemen met opvoeden en opgroeien zijn chronisch.

Ten tweede is de tolerantie voor afwijkend gedrag en overlast in de afgelopen decennia eerder gedaald dan gestegen. De samenleving beweegt zich niet (vanzelf) in de richting van de transformatie. Het veranderen daarvan heeft gevolgen voor de gezinsleden, de buren, het onderwijs, pleegouders, de politie, beroepskrachten in zorg en welzijn en de gemeente.

Wat dan wel?
De film Alicia confronteert ons met de realiteit dat uithuisplaatsing ook risico’s inhoudt voor het perspectief van het kind. Het Actieprogramma Zorg voor de Jeugd biedt een aanknopingspunt, al is “meer kinderen zo thuis mogelijk laten opgroeien” nog niet concreet. De nieuwe colleges van B&W kunnen beginnen met een ambitie, bijvoorbeeld: over vier jaar verblijft nog maximaal de helft van het aantal jeugdigen uit onze regio in een tehuis ten opzichte van 2017 doordat we duurzame oplossingen in de leefomgeving hebben gerealiseerd.

Om deze ambitie waar te maken is medewerking nodig van jeugdigen, gezinnen, buren, scholen, werkgevers, diverse gemeentelijke afdelingen, politie, lokale teams, jeugdbeschermers en aanbieders van gespecialiseerde zorg. Het gaat niet om een paar extra programma’s MST, MDFT, etc.; het gaat om herstel van het gewone leven in ongewone omstandigheden.

Er komt in de leefomgeving meer overlast en meer risico en daar moeten andere reacties op gevonden worden dan domweg uithuisplaatsen. Dat is de grootste uitdaging: als er weer eens iets mis gaat, ergens overlast is, de politie eraan te pas moet komen, de Inspectie risico’s signaleert en de druk op de wethouder toeneemt. Hoe vaak vinden we dan een ander antwoord dan plaatsing in een tehuis?

Hoe dan ook moet een monitor uitwijzen of de ambitie dit keer wel wordt omgezet in praktijk.

Categorie:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *